Farmacogenetica onderzoekt met een DNA-test de aangeboren aanleg om medicijnen op te nemen. Dit verschilt per persoon. Bij de een gaat het afbreken van medicijnen sneller dan bij de ander. Maar het afbreken van een medicijn kan ook trager gaan. Als er dan teveel medicijnen in het lichaam achterblijven, bestaat de kans op bijwerkingen. Als het medicijn te snel wordt afgebroken werkt het misschien niet goed genoeg. Veel ziekenhuisopnames (zo’n) 7 procent hebben te maken met de effecten van medicijngebruik.

Met een farmacogenetische DNA-test kan worden vastgesteld hoe het medicijn door het lichaam wordt opgenomen. Voor deze medicijnen is farmacogenetisch onderzoek mogelijk.

Farmacogenetica en auto-immuunziekten

Auto-immuunziektes, zoals Reuma,  IBD en Psoriasis zijn complex en moeilijk te behandelen. Genetische factoren spelen een rol bij vatbaarheid voor immuunziekten, maar spelen een even belangrijke rol bij de behandeling. Er wordt  veel onderzoek gedaan naar de risicofactoren (waaronder genetische-), die een rol spelen bij auto-immuunziekten.  De meeste behandelingen hebben als doel het immuunsysteem te onderdrukken. Er wordt de laatste tijd veel onderzoek gedaan naar genetische factoren, die van invloed zijn op de behandeling en de aan de behandeling verbonden bijwerkingen. Voor een aantal genetische variaties zijn er al resultaten. Zo zijn variaties in het TPMT gen belangrijk bij behandeling met Azathiopurine.

Farmacogenetica en pijnstillers

Pijn is een vaak voorkomende bijwerking. Om de pijn te verzachten worden pijnstillers voorgeschreven naast de andere voorgeschreven medicijnen. De werking van een pijnstiller is sterk afhankelijk van de werking van specifieke eiwitten in het lichaam. Maar dat is voor iedereen weer anders. Deze verschillen zijn deels te verklaren door genetische variaties in het DNA, dat codeert voor deze eiwitten.

[maxbutton id=”4″]