Reuma

Reuma hebben betekent  ontstekingen aan gewrichten, spieren en pezen. In Nederland zijn er bijna 2 miljoen patiënten en komen er wekelijks zo’n 700 patiënten bij. Reuma is niet te genezen, maar wel te behandelen. Omdat de lichamelijke beperkingen al erg genoeg zijn, is het belangrijk dat de medicijnen goed werken en er zo min mogelijk sprake is van bijwerkingen. Het goede medicijn met de juiste dosering, afgestemd op het DNA van de individuele patiënt is dus belangrijk.

Behandeling en medicatie

Wanneer de diagnose reuma is vastgesteld, is het belangrijk om zo snel mogelijk met de behandeling te beginnen. Dit om zoveel mogelijk verdere schade aan de gewrichten te beperken. De behandeling bestaat vaak uit ontstekingsremmers en pijnstillers. Een reumatoloog zal vaak beginnen met methotrexaat voor te schrijven. In heel veel gevallen begint dan de zoektocht naar het goede medicijn en de juiste dosering. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het te voorspellen is of methotrexaat wel zal werken bij de patiënt. Een aantal factoren, waaronder genetische variaties, spelen hierbij een rol. Farmacogenetisch testen is daarvoor de oplossing.

Bijwerkingen van Methotrexaat; beenmerg-depressie, braken, diarree, koorts, misselijk, moe, en mondzweren

Reuma gaat vaak gepaard met pijn in de gewrichten. Als de pijn heftig is, zal de arts een sterke pijnstiller, zoals codeïne voorschrijven. Codeïne wordt in de lever omgezet tot morfine, dat een pijnstillend effect heeft. In welke mate codeïne wordt omgezet in morfine is sterk afhankelijk van het CYP2D6 gen. Bij 1 op de 5 mensen kan dit gen niet actief zijn of juist heel erg actief. In beide gevallen heeft dat gevolgen voor de werking van de codeïne.  Daarom is het belangrijk dat de arts weet hoe het CYP2D6 gen van de patiënt er uit ziet. Met een farmacogenetische DNA-test is dit eenvoudig aan te tonen.

CYP2D6: enzym dat circa 80% van de (door huisartsen) voorgeschreven medicijnen omzet, zoals. Metoprolol, Codeine, Oxycodon, Tramadol, Clomipramine, Doxepine, Imipramine, Nortriptyline, Paroxetine, Venlafaxine, Haloperidol, en Risperidon.

(Bij)Werking

De meeste medicijnen, die een reumatoloog voorschrijft, hebben bijwerkingen. Bijwerkingen zijn niet altijd te voorkomen. Sommige medicijnen zijn slecht voor de maagwand, waardoor de arts mogelijk ook maagzuurremmers zal voorschrijven. De werking van zo’n maagzuurremmer kan echter ook weer per patiënt verschillen. Vaak ook weer afhankelijk van de genetische aanleg van de patiënt. Bovendien heeft het ene medicijn soms een negatief effect op de werking van een ander medicijn. Daarom is het van belang dat je arts je DNA-profiel kent. Die genetische informatie is heel gemakkelijk met een DNA-Paspoort te krijgen.

Medicatiematch

Voor een aantal medicijnen zijn, op basis van de genetische informatie, richtlijnen opgesteld. Voor pijnstillers als ibuprofen, diclofenac en codeine zijn deze richtlijnen belangrijk. In deze richtlijnen staat bij, welke genetische variaties in bijvoorbeeld de genen CYP2C9 en CYP2D6 een ander medicijn of een andere dosering moet worden voorgeschreven. Voor maagzuurremmers, als bijvoorbeeld omeprazol is het gen CYP2C19 belangrijk. Variaties in dit gen betekent vaak aanpassing van medicijn en/of dosering. Deze 3 belangrijke genen vindt je ook  op het NIFGO DNA-paspoort.