Bij het opnemen van statines (cholesterolsyntheseremmers) door het lichaam speelt het gen SLCO1B1 de belangrijkste rol. SLCO1B1 regelt het transport van het medicijn naar de lever.

Ruim 20% van de westerse bevolking heeft een genetische variatie, waardoor de activiteit van SLCO1B1 minder is. Gevolg: afname van de hoeveelheid statine in de lever en toename van de plasmaconcentratie van statine in het bloed.

Bij verminderde activiteit van SLCO1B1 verhoogt de kans op myopathie (ernstige spierpijn) en creatine waardes. De creatine waarde is belangrijk, omdat deze waarden iets zeggen over de werking van de nieren. Statines en bloedverdunners beïnvloeden de werking van de nieren vaak negatief. Met een farmacogenetische DNA-test wordt dus vooral de activiteit van het SLCO1B1 gen onderzocht.

Aan de hand van de laboratoriumuitslag kan het beste statine medicijn en de juiste dosering worden voorgeschreven. Niet dus eerst het ene medicijn en bij klachten, een ander medicijn of een andere dosering, maar onmiddellijk het goede medicijn en de juiste dosering.

In de KNMP Kennisbank is door de apotheker en arts informatie te vinden over hoe te handelen, als er sprake is van een afwijkende activiteit.

De DNA-test 

Deze test is in ieder geval van belang als de volgende medicijnen zijn voorgeschreven: SimvastatineFluvastatine, Pravastatine, lovastatine, Rosuvastatine, Cerivastatine,  en Atorvastatine, Nadat de test is aangevraagd, wordt een DNA afname-kit toegestuurd, waarmee zelf wangslijmvlies kan worden afgenomen. Dit is weinig ingrijpend en erg effectief.