NIFGO verstrekt een DNA-paspoort. Op het DNA- paspoort staat het farmacogenetische DNA profiel. Dit DNA profiel geeft aan hoe het lichaam reageert op medicijnen. Dit wordt uitgedrukt in fenotypes en functies. We onderscheiden de volgende fenotypes/functies:

  • NM = normale metabolisering (normal metabolizer)
  • IM = verminderde metabolisering (intermediate metabolizer)
  •         RM = snelle metabolisering (rapid metabolizer)
  • UM = zeer snelle metabolisering (ultra rapid metabolizer)
  • PM= geen of trage metabolisering (poor metabolizer)
  •         NF= normale functie
  •         IF= verminderde functie
  •         RF=snelle functie en
  •         UF=ultra snelle functie

Welke genen worden getest?

Met het NIFGO DNA-paspoort worden leverenzymen getest, die van invloed zijn op de werking van medicijnen. Op die manier krijgen we een goed inzicht hoe medicijnen in het lichaam worden afgebroken. De lijst met medicijnen staat op de pagina Medicijnen. Staat uw medicijn er niet bij, vraag dan via info@nifgo.nl of ook op dat medicijn getest kan worden.

De voor het NIFGO-DNA-paspoort  te testen genen zijn: CFTR, COMT, CYP1A2, CYP2A6, CYP2B6, CYP2C8, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6, CYP2E1, CYP3A4, CYP3A5, CYP4F2, DPYD, Factor 2 (II), Factor 5(V), G6PD, GSTM1, IFNL3, MTHFR A1298C, MTHFR C677T, MTRNR1, NAT1, NAT2, SLCOC1B1, TPMT, UGT1A1, UGTB27 en VKORC1. In het rapport bij de testuitslag staat welke variaties zijn getest. Bij het testen van CYP2D6 wordt bovendien standaard ook het aantal kopieën getest. Dit is belangrijk om de juiste activiteit van CYP2D6 te bepalen. Aanvullend kunnen op verzoek ook andere genen worden getest. In de bijlage bij het rapport worden de relevante gen-medicatie combinaties aangegeven en wordt aangegeven of er een doseringsadvies in de Kennisbank van de KNMP aanwezig is. Kortom, medicijnen op maat, op basis van uw eigen DNA-profiel, is met het DNA-paspoort nu mogelijk.

Waarvoor zijn de genen op het DNA-paspoort belangrijk?

CFTR;  mutaties in het CFTR-gen kunnen leiden tot ontregeling van het epitheelvochttransport in de longen, pancreas en andere organen, wat kan leiden tot cystische fibrose.

COMT  is betrokken bij de omzetting van zogenoemde  “stress” hormonen, zoals Dopamine en Adrenaline. Een variatie kan leiden tot verminderde activiteit en mogelijk hogere dopamineconcentraties in het bloed.

CYP1A2  speelt een rol bij het afbreken van antidepressiva. Roken en het eten van gebraden/gerookt vlees zijn van invloed op de activiteit van CYP1A2.

CYP2B6; als antivirale middelen (Efavirenz en Nevirapine), antidepressiva (Bupropion) en pijnstillers (Ketamine en Ifosfamide) worden voorgeschreven is het belangrijk de activiteit van CYP2B6 te kennen.

CYP2A6 regelt de oxidatie van nicotine en cotinine; ook niet-genetische factoren zijn echter van invloed. Variaties van het CYP2A6 gen hebben effect op de werking van Tegafur, Letrozol, Efavirenz, Valproïnezuur, Pilocarpine, Artemisinine, Artesunaat, Cafeïne en Tyrosol en een aantal cumarine-achtige alkaloïden.

CYP2C19; variaties in CYP2C19 zijn van invloed op de werking van antidepressiva, maagbeschermingsmiddelen (de protonpompremmers) en antistollingsmiddelen, (o.a. Lansoprazol, Esomeprazol, Omeprazol, Pantoprazol, Rabeprazol, Imipramine, Citalopram, Escitalopram en Plavix (Clopidogrel). Bijvoorbeeld: Clopidogrel (antistollingsmiddel): een pro-drug, dat wil zeggen, dat het medicijn eerst nog geactiveerd moet worden, om effect te kunnen hebben. CYP2C19 zorgt voor die activatiestap. Een verminderde activiteit (IM) van CYP2C19 betekent  dat die activatie stap niet of nauwelijks wordt gemaakt en het medicijn dus niet of nauwelijks werkt. Voedingssupplementen, waarin Kurkuma, Sesamzaad of St. Janskruid zijn verwerkt, remmen de activiteit van CYP2C19.

CYP2C8  is betrokken is bij metabolisme van bepaalde medicijnen gericht tegen kanker en diabetes. CYP2C8 heeft een indirecte functie bij metabolisme van o.a. Diclofenac.

CYP2C9 is betrokken bij  o.a. NSAID’s (o.a. Naproxen, Diclofenac en Ibuprofen), bloedsuikersverlagers (Tolbutamide, Glipizide, Glimepiride en Nateglinide), bloeddrukverlagers ( Losartan en Irbesartan), antistollingsmiddelen ( Acenocoumarol en Fenprocoumon) en het anti-epilecticum Fenytoïne. Voedingssupplementen op basis van knoflook, kurkuma en sesam verminderen de activiteit van CYP2C9. Clopidogrel remt de activiteit van CYP2C9 sterk.

CYP2D6  is betrokken bij circa 25% van de door artsen voorgeschreven medicijnen en een van de belangrijkste genen als het gaat om afbreken van medicijnen als antidepressiva, antipsychotica, opioiden, tamoxifen en anti-aritmica. Standaard wordt ook het aantal functionele kopieën getest. Bij meer dan 2 kopieën (standaard) is er sprake van een extra verhoogde activiteit.

CYP2E1: belangrijk voor de verwerking van Paracetamol. Alcohol, roken en de medicijnen Isoniazide en Isopropanol versnellen de activiteit van CYP2E1. Variatie in CYP2E1 heeft effect op de werking van anesthesie en alcohol en speelt een rol bij diabetes en obesitas.

CYP3A4 is van belang voor het afbreken van sommige opioïden, cholesterolverlagers, bloeddrukverlagers, immuunsuppressiva, middelen tegen kanker, kalmerende middelen, antibiotica en corticosteroïden. Bovendien is CYP3A4 belangrijk voor de ontgifting van galzuren, de-activatie van testosteron en gedeeltelijke degradatie van vitamine D. Niet genetisch factoren ( milieueffecten, roken, comedicatie en hormonen)  hebbe ook effect op de activiteit van CYP3A4. Grapefruitsap en groentesappenremmen de activiteit van CYP3A4.

CYP3A5 vertoont overlap met CYP3A4. Het niet tot expressie brengen van CYP3A5, in combinatie met een vertraagd CYP3A4 metabolisme, verminderd de werking van veel medicijnen. CYP3A5 is een enzym dat bij de westerse bevolking in het algemeen niet actief is, dus PM.

CYP4F2 regelt o.a. het metabolisme van vetzuren en vitamine E en het activeren van vitamine K. Een verminderde of geen activiteit van CYP4F2 kan in combinatie met de verminderde activiteit van CYP2C9 en VKORC1 leiden tot bijwerkingen bij gebruik van sommige bloeddrukverlagers (o.a.aspirine).

DYPD: variaties kunnen leiden tot verhoogde intracellulaire giftige concentraties. Bijwerkingen als Neutropenie, Trombopenie en Hand-foot-syndroom kunnen het gevolg zijn van een verminderde of afwezige activiteit. Vooral belangrijk bij gebruik van  Fluorouracil en Capecitabine..

F II (factor 2) codeert voor het eiwit Prothrombine, dat circuleert in de bloedstroom. Dit eiwit wordt pas actief bij bloedingen en vormt dan bloedstolsel om de bloeding te stoppen. Onder normale omstandigheden (geen bloedingen) is F2 dus niet actief (PM). Variatie in F2 brengt het risico met zich mee dat er onnodig bloedstolsels worden gevormd. Voedingssupplement vitamine K stimuleert de aanmaak van Prothrombine.

F V (factor 5) bevat instructies voor het aanmaken van coagulatiefactor V en de vorming van Trombine en Fibrine, die er voor zorgen dat het bloed op de juiste manier stolt. Factor 5 dient geïnactiveerd te worden om de bloedstroom weer op gang te krijgen. Variaties geven risico op embolie.

G6PD; een verminderde of geen activiteit is een erfelijke overdraagbare variatie, die voornamelijk voorkomt bij mannen en die risico geeft op hemolytische anemie. Een G6PD-tekort komt voor onder de bevolking uit mediterrane landen, het Midden-Oosten en Azië en in mildere vorm in Afrika. In witte populaties is deze variatie zeldzaam.

GSTM1 GSTM1 staat voor glutathion S transferase en is belangrijk voor de ontgifting van ons lichaam.

GSTP1 is belangrijk voor ons ontgiftings- en antioxidantensysteem. GSTP1-methylering is in  veel onderzoekspapers genoemd als een epigenetische marker voor vroege diagnose van prostaatkanker.

IFNL3 is belangrijk voor het op gang brengen van ons afweersysteem tegen virussen.Voor mensen met chronische hepatitis c (HCV) is IFNL3 van belang voor het bepalen van de juiste medicatie.

MTHFR regelt het foliumzuurmetabolisme; belangrijk voor veel lichaamsfuncties. Variaties in MTHFR leiden tot een verlaagde activiteit en dus tot verhoogde homocysteine waardes. Hoge homocysteine waardes kunnen leiden tot irritaties aan de bloedvaten. In combinatie met F2 of F5 variaties, leidt dit tot een extra verhoogd risico op bloedstolsels. Voedingssupplement B vitamines kunnen helpen de homocysteine waardes op het gewenste niveau te houden.

MTRNR1 regelt de gevoeligheid voor insuline en is belangrijk voor o.a. onze vochtbalans, concentraties van natrium, kalium en calcium en de bloedsuikerspiegel.

NAT1 en 2 zijn van belang voor de koppelingreactie tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen en zijn voor de werking van veel geneesmiddelen belangrijk omdat ze aan een aminegroep een acetylgroep binden. We onderscheiden trage acetyleerders (circa 60% van de westerse bevolking en 45% van de Afrikaanse en Aziatische bevolking) en snelle acetyleerders. Trage acetyleerders hebben een verhoogd risico op levertoxiciteit bij gebruik van Isoniazide en Hydralazine.

SLCO1B1 is een belangrijk transsport gen en bepaalt in hoge mate het effect van statines. Een verminderde activiteit leidt tot afname van de hoeveelheid statine in de lever en toename van de plasmaconcentratie van de statine. Dit laatste geeft risico op myopathie (ernstige spierpijn) en verhoogde kreatine waardes.

TPMT is net als COMT belangrijk voor de ontgifting van het lichaam en bepaalt de omzetting van Thiopurines (Azathioprine, 6-Mercaptopurine en Thioguanine). TPMT is ook een belangrijk gen voor aandoeningen, waarbij ons afweersysteem een rol speelt, zoals leukemie, de ziekte van Crohn en reumatoïde artritis.

UGT1A1 verwijdert slechte oestrogenen, hormonen, neurotransmitters, bepaalde medicijnen, schimmeltoxinen en kankerverwekkende toxines. Als deze stoffen niet goed worden geïnactiveerd en verwijderd, kunnen ze cel- en weefselbeschadiging veroorzaken. Een verminderde of geen activiteit van UGT1A1 zorgt dus voor een hogere concentratie van “afvalstoffen” en daardoor kans op bijwerkingen. De activiteit van UGT1A1 bepaalt de diagnose ziekte van Gilbert.

UGT2B7 is belangrijk voor de ontgiftings processen in ons lichaam en speelt een belangrijke rol bij het reguleren van het niveau en de activiteit van oestrogeenmetabolieten. Variaties in UGT2B7 zijn van invloed op de effectiviteit en de bijwerkingen bij gebruik van morfine en sommige andere verwante opiaten.

VKORC1 activeert vitamine K, belangrijk voor het regelen van bloedstolling. Een tekort aan vitamine K kan sommige stollingsprocessen belemmeren. Een verminderde activiteit (45% van de westerse bevolking) leidt tot minder goede bloedstolling en een verhoogde gevoeligheid voor bloedverdunners op basis van cumarine. Omdat antistollingsmedicatie nauwkeurig moet worden gedoseerd, is het belangrijk het genotype van zowel VKORC1 als CYP2C9 te kennen. Bloedverdunners op cumarinebasis zijn: Acenocoumarol en Fenprocoumon. Andere veel voorgeschreven bloedverdunners zijn Acetylsalicylzuur en Ascal.