/ juni 4, 2019/ farmacogenetica

Ruim 2,1 miljoen mensen gebruiken cholesterolverlagers (statines). Dit om de waarde van het LDL (slechte cholesterol) onder de grenswaarde 2,5 te houden. Volgens de nieuwe richtlijn multidisciplinaire cardiovasculaire risicomanagement (CVRM) moet de grenswaarde van het LDL nu naar 1,8. Dat betekent in de praktijk, dat mensen met hart- en vaatziekten een hogere dosis statine krijgen voorgeschreven.

Nu al hebben 1 op de 7 gebruikers last van bijwerkingen. Dit aantal zal dus toenemen, als een hogere dosering wordt voorgeschreven. Ook de aard van de bijwerkingen zullen heftiger zijn. Om die reden is het sterk aan te bevelen om bij verhoging van de dosering tegelijk de activiteit van het gen SLCO1B1 te laten testen om (meer) bijwerkingen te voorkomen. Het gen SLCO1B1 zorgt voor transport van de statine naar de lever, waar het medicijn wordt afgebroken.

Ongeveer 20 % van de westerse bevolking heeft een genetische variatie, waardoor de activiteit van SLCO1B1 minder is. Vooral bij gebruik van statines, maar ook bij gebruik van rode gistrijst, is de activiteit van dit gen belangrijk. Als dit gen geen of nauwelijks activiteit heeft leidt dit tot afname van de hoeveelheid statine in de lever en toename van de plasmaconcentratie. Dit laatste kan het risico op myopathie (ernstige spierpijn) verhogen en leiden tot verhoogde kreatine waarden.

Een farmacogenetische test bij het verhogen van de dosering, wordt sterk aanbevolen. Aan de hand van die uitslag, kan de arts het doseringsadvies in de Kennisbank van de KNMP volgen om de juiste dosering vast te stellen.

Lees het hele artikel.